Gezichtsbedrog

IMG_0376

Je weet dat niet waar is, en toch zie je het helder voor je, al is het maar even. Veel zeilers kennen ze: de korte hallucinaties als je lang aan het roer zit en moe wordt. Van een vorige Noordzee-oversteek herinner ik me dat ik ’s nachts in de verte een lichte streep zag: verlichte bebouwing op een kustlijn. Maar dat kon helemaal niet, met nog een mijl of zestig te gaan. En toch was de sensatie, die misschien een of twee seconden duurde, volkomen echt. Tot ik me met een schok realiseerde dat die witte lijn gewoon de draad van de zeerailing was, op een paar meter afstand.

Het brein moet voortdurend bezig gehouden worden met nieuwe indrukken, en als het niets te doen heeft, begint het voor zichzelf. Als het te weinig zinnige input krijgt, heeft Rudy Kousbroek geschreven, “spant het zich wanhopig in om er toch betekenis in aan te brengen”.

Ik herinner me ook een lome zomerdag waarin we van Harwich naar het zuiden voeren, langs het windpark dat daar is gebouwd op de langgerekte zandbank die Gunfleet heet. Er staan tientallen windmolens in nette rijen in zee, met in het midden van die ‘plantage’ een transformatorhuis op een paal. Er was weinig wind, de molens maalden onmerkbaar langzaam, de zon stond hoog, de zee was vlak en blikkerde. Dat we bewogen had meer te maken met de vloedstroom die ons langzaam naar het zuiden zette, dan met de wind. Dat transformatorhuis op zijn paal is eigenlijk een grote aan/uit-schakelaar voor die molens, bedacht ik, een paar seconden bloedserieus. Het is een woud van ventilatoren, die nu uit staan.

Deze zomer liep de zee even schuin naar beneden. Het was geen hallucinatie, alleen al omdat het minutenlang duurde en niets met vermoeidheid te maken had. Maar het effect was even verbluffend. We voeren door de Swale, een ondiepe zeearm die het Isle of Sheppey van het Engelse vasteland scheidt. Van west naar oost, langs industriële ruïnes en langs modderbanken bezaaid met de wrakken van de platbodems die hier ooit het enige vervoer waren. En langs de industrie die er sindsdien op de oevers is neergestreken, een composteerbedrijf in een wolk van meeuwen, een gipsfabriek, een zijhaven waar een coaster houtpulp laadt en waar het naar de Hubo ruikt.

Na de spoorbrug, die voor ons omhoog ging en achter ons zakte, begon het. Een bocht en nog een bocht en daar kantelde het wateroppervlak naar beneden. Het was geen scherpe helling, maar onmiskenbaar.

Hoe kon dit? Ik moest denken aan de Medici-fontein in het Luxembourg-park in Parijs, met zijn langgerekte vijver waar het water ook lijkt af te lopen. Hoe werkt dit trompe l’oeil? Simpel (als je het weet): de randen van die vijver lopen ongemerkt schuin omhoog. Maar je oog, gewend aan andere vijverranden, wil geloven dat dit het horizontale vlak is.

In dit stukje van de Swale is misschien ook zoiets aan de hand: de oever in de verte lijkt hoger. Het is een dijk, en daarachter zie je alleen de toppen van huizen, fabrieken en hoogspanningsmasten. En daar weer achter de heuvels van Kent. Er is geen horizon die het oog waterpas houdt. Dus verzint het er zelf een. Maar niet de goede.


Leave a Reply

Your email address will not be published.