Twee schrijvers

01. November 2016 Uncategorised 0

sebaldrobinson

In zijn ‘wandelboek’ uit 1998, The Rings of Saturn, bezoekt W.G. Sebald het landgoed waar Edward FitzGerald (1809-1883) heeft gewoond. FitzGeralds voorouders behoorden tot de oude ‘Anglo-Ierse’ import-adel. Ze hadden in Ierland fortuin gemaakt en bezaten ook grond en huizen in Engeland. Een van hun landgoederen lag in de buurt van Woodbridge, in Suffolk aan de Engelse oostkust. Daar bracht Edward een ongelukkige jeugd door, en hij is er ook begraven. Hij was een kluizenaar, die zich een deel van het jaar terugtrok op zee. Hij bezat een haringlogger die hij als zeiljacht gebruikte. Aan boord droeg hij een hoge hoed en van zijn hals wapperde een witte boa. In 1859 publiceerde hij een vertaling van Perzische dichtregels die als De Rubaiyat van Omar Khayyam bekend is geworden. Na zijn dood werd ontdekt dat hij ook een groot brievenschrijver was.

Dit is globaal wat Sebald je vertelt tijdens zijn wandeling. Maar dan!

In Woodbridge overnacht hij in een herberg, en hoort hoe het houten gebinte, dat in de hitte van de dag is uitgezet, krakend en piepend stukje bij beetje krimpt. Het was, schrijft Sebald, alsof ik op zee was, in een scheepshut, en alsof het hele gebouw omhoog kwam in een golf, even sidderde op de kruin en dan, met een zucht, weer naar beneden gleed.

Slapen kan hij niet, maar in de vroege ochtend ontwaakt hij toch uit een droom. In die droom zit hij aan een tafel tegenover Edward Fitzgerald en speelt een partijtje domino met hem. De tafel staat ergens buiten. In een park. Maar het is niet het landgoed dat hij die ochtend heeft bezocht. Het is een landgoed in Ierland, waar hij lang geleden is geweest. In dat huis woont een familie, een weduwe met drie dochters en een zoon, die Ashbury heten.

De Ashbury’s hebben Ierland nooit verlaten, maar hun fortuin is verdampt. Hun huis lijkt louter lege kamers te hebben. Voor de ramen hangen geen gordijnen meer, het behang is van de muren gescheurd. Men slaapt op veldbedden. De Ashbury’s ‘leefden onder hun eigen dak als vluchtelingen die vreselijke beproevingen hebben doorgemaakt en zich nu niet durven vestigen op de plaats waar ze zijn terechtgekomen’, schrijft hij.

Even komt hij in de verleiding het aanbod van de Ashbury’s aan te nemen om te blijven en hun leven te delen. Maar hij neemt afscheid. In de tuin vertelt Catherine, een van de dochters, hem nog over een plan dat ze ooit hadden om hun fortuin te keren door zijderupsen te kweken. Ze draagt dezelfde rode jurk en rode ‘pelgrimshoed’ die ze droeg toen ze de voordeur voor hem opende, een onbestemde tijd geleden.

Jaren later, noteert Sebald, zag ik haar terug, ‘or thought I did’. In een theatertje in Berlijn, waar hij een onvoltooid toneelstuk van een achttiende-eeuwse schrijver gaat zien, komt ze op in, ‘het is niet te geloven’, diezelfde jurk en met diezelfde hoed. In een decor van een vreemd Italiaans landschap, met waterig-groene bergen. Catherina van Siena. ‘Ik denk dat ik hier zal slapen, of even rusten’, laat hij haar zeggen. ‘Be still, my heart.’

Om de lezer dan – we zijn twintig pagina’s verder – weer met beide benen op de grond te zetten. ‘Van Woodbridge naar Orford bij de zee is het een goeie vier uur lopen.’ Die zijderupsen komen een hoofdstuk later terug.

Bij Sebald is alles met alles verbonden. Een Italiaans droombeeld in Berlijn dat uit een Ierse hallucinatie opstijgt, die deel is van een droom in een droom. Het beneemt je als lezer de adem, en toch lijkt het volkomen logisch. Be still my beating heart.

Dieptedimensie

Ik moest aan deze passages denken bij het jongste nummer van Mare, een Duits tijdschrift dat elke twee maanden verschijnt en dat ‘de zee’ als onderwerp heeft, in de allerbreedste zin. In het oktober/november-nummer staan stukken over Madeira (het eiland en de wijn), wat de zeespiegelstijging doet met kusten in de hele wereld, een pijnlijk verhaal over een Nederlands schip met Duitse ‘krijgsgevangenen’ uit Nederlands-Indië, en een stuk over Habsburg en schilderijen van schaaldieren.

mare118

In hetzelfde nummer staat ook een essay van Matthias Egeler met de titel ‘Landschap achter het landschap’, waarin hij opmerkt dat sommige schrijvers eilanden een ‘dieptedimensie’ geven. Als voorbeeld noemt hij Sebalds wandeltocht in Suffolk. En hij noemt Tim Robinson, toevallig ook een van mijn lievelingsschrijvers. Robinson heeft veel geschreven over de Aran-eilanden, die aan de Atlantische kust van Ierland in de baai van Galway liggen. Zijn Stones of Aran: Pilgrimage, uit 1986, is nog steeds een bestseller.

Hun reiservaring, schrijft Egeler, heeft niet alleen met het fysieke landschap te maken, maar veeleer met de geschiedenis die met dat landschap is verbonden, en die het betekenis geeft. Kort samengevat: landschap is plaats plus verhaal. En dat verhaal geeft het landschap zijn meerwaarde, zijn ‘dieptedimensie’, die ‘naar de ervaring vooruitwijst, zoals een pelgrim toeleeft naar het aanraken van de schrijn’, aldus Egeler.

Landschap=natuur+cultuur. Dat is een beetje een open deur. Maar ik vroeg me vooral af of je Sebald en Robinson wel zo op een hoop kunt gooien.

Robinson studeerde wiskunde en werd beeldend kunstenaar. In 1972 ging hij met zijn vrouw op het grootste van de Aran-eilanden wonen, Inishmore, in de hoop een roman te schrijven. Dat is er niet van gekomen, vertelde hij toen ik hem in 2004 voor de krant opzocht. Wel raakte hij geobsedeerd door de geschiedenis van de eilanden, stukken kalkrots die uit zee steken. ‘Op een dag zei een vrouw in het postkantoor, die me maandenlang had zien rondwandelen en met mensen praten: ‘Tim, waarom maak je geen landkaart?’ Daar had ik nooit eerder aan gedacht en ik werd meteen enthousiast. Want een kaart is een prachtige manier om informatie niet alleen vast te leggen, maar ook eenheid te geven.’ Nog diezelfde avond begon Robinson met een schets voor zo’n kaart.

De eilanden waren voor het laatst in 1898 in kaart gebracht, door de Britse topografische dienst (Ierland was Brits grondgebied). Maar veel Ierse plaatsnamen waren ‘verengelst’ en de oorspronkelijke Ierse namen en de verhalen die erbij hoorden waren weggezakt. Die kennis haalde Robinson op, onder andere door met de oudste eilandbewoners te praten. Robinson tekende een nieuwe landkaart, maar vond ook dat al die kennis in boekvorm moest verschijnen. Maar hoe? Wat voor ordenend principe zou dat moeten zijn?

Dat viel hem in toen hij eens twee dolfijnen zag zwemmen in de branding. Hun bewegingen vielen samen met de golven, ze waren zelf een golf. ‘Dat gaf me een geweldig geluksgevoel’, vertelde hij. Tegelijkertijd viel hem in wat hij ‘het menselijk equivalent’ van die dolfijn-die-zelf-golf-is noemt. Dat was: ‘de passende stap, een stap die volkomen recht doet aan de aarde waar je overheen stapt’. Aran was het perfecte terrein voor een experiment met dat idee. ‘Niet alleen omdat het oppervlak eindeloos is onderverdeeld in velden en huizen en dorpen, maar ook omdat zelfs het kleinste ding er een naam heeft. Elke plek heeft zijn eigen herinneringen, associaties en culturele geschiedenis. Je kunt er geen stap verzetten zonder je daarvan bewust te zijn.’

Hoe beter je kijkt, hoe meer je ziet, schrijft Robinson. ‘Elke stap draagt ons over geologie, biologie, mythen, geschiedenis, politiek, en doet ons struikelen over de vertakkingen van rosa spinosissima, de duinroos van persoonlijke associaties.’ Maar het experiment is bij voorbaat tot mislukken gedoemd, realiseerde hij zich ook meteen. Het beschrijven van zo’n stap? ‘Onmogelijk, om vele redenen, waarvan de kortheid van het leven er eentje is.’

Weefgetouw

Sebalds voettocht, vanuit zijn woonplaats Norwich en weer terug, duurt een dag of tien. Het is de metronoom die op de achtergrond van het verhaal tikt. In werkelijkheid liep Sebald die tocht niet in één keer, maar in etappes verspreid over een jaar of twee. Zijn verhalen-in-verhalen-in-verhalen zijn over nog langere tijd tot stand gekomen, neergeslagen lijkt het, als jaarringen. Het ‘nu’ in zijn verhaal is eigenlijk nergens vast te pinnen. Soms vraag ik me zelfs af of die wandeling wel nodig was. Dan denk ik dat Sebald stil staat, dat hij niet meer is dan een membraam waar de tijd, al die tijden, doorheen stromen.

Voor zijn dood, bij een auto-ongeluk in 2001, is hem vaak gevraagd naar tijd en betekenis. Er is geen chronologie, zei hij dan, geen tijd die logisch van A naar B loopt. Heden en verleden lopen in mijn werk door elkaar, en heen en terug, maar dat gebeurt ook in ons hoofd. Vergelijk het met een weefgetouw waar een spoel doorheen schiet.

In een tv-gesprek met Michaël Zeeman, in 1998, zei Sebald het zo: ‘Ik weet niet zeker of ik in staat ben om überhaupt betekenis te geven aan wat ik tegenkom. Behalve door de inspanning van het opschrijven. Ik maak een passend patroon in proza van wat er op mijn weg komt. Dat is een bezigheid die geen hogere ambities heeft dan, voor een kort moment in de tijd, iets te redden uit de stroom van geschiedenis, die aan ons voorbij blijft razen.’

Passende stap, passend patroon; misschien doen ze inderdaad precies hetzelfde. Toch is Robinson meer de schrijver van wat Egeler de Tiefendimension noemt, die boort en inzoomt, maar nooit een diepste punt bereikt. Robinson voelt als een verticale schrijver. Bij Sebald is er steeds een nieuw perspectief. Sebald schrijft horizontaal.


Leave a Reply

Your email address will not be published.