Oosterschelde

Kaart van Zeeland door Gerard Mercator (1585)

Kaart van Zeeland door Gerard Mercator (1585)


Het mist als we de Oosterschelde willen opvaren. Een dag eerder zijn we tot aan de Oosterscheldekering gekomen en we hebben overnacht achter de Roompotsluis. Geen jachthaven, maar een paar drijvende steigers waar vooral bootjes van dagvissers liggen. Nu willen we verder, maar er is geen driehonderd meter zicht. Het is alsof de Oosterschelde zich nog even niet wil prijsgeven.

Niet dat we strikt genomen veel zicht nodig hebben. De elektronische kaart toont precies waar we zijn, desnoods varen we op die kaart boei voor boei naar het oosten. Maar weten waar je bent is nog niet hetzelfde als het landschap ondergaan. Dat is, in de woorden van schrijver en cartograaf Tim Robinson, het peilen van de ‘mysterieuze en miskende vierde dimensie’ van de landkaart. De derde geeft een platte kaart de ruimte, maar ‘langs die vierde dimensie dringt het landschap mijn geest binnen’, schrijft hij.

Hoe? Bijvoorbeeld via de plaatsnamen. Dat zijn locaties waar ‘taal en landschap elkaar vasthouden’, waar het landschap een verhaal wordt, welk verhaal dan ook. Landschap is plaats + betekenis.

In zijn boeken over de Ierse Atlantische kust, het deel van Ierland waar nog Gaelic wordt gesproken, heeft Robinson geprobeerd in die plaatsnamen door te dringen, heuvels beklimmend, scharrelend langs de vloedlijn, de laatste sprekers van de oude taal aan de tand voelend: vissers, boeren, winkeliers. Waarom heet een stroompje of stenenveld zoals het heet? En hoe kan het dat die betekenissen voortdurend veranderen?

Door de Britse landmeters en kaartenmakers uit de negentiende eeuw, die de gesproken Keltische namen vastlegden in tekst en verengelsten tot iets wat ze begrijpelijker voorkwam, bijvoorbeeld. En doordat de bewoners hun eigen land ook steeds opnieuw zagen. Zo zijn de ‘tranen’ waarnaar een vallei op het eiland Aran is genoemd eerst gestort voor iemand die op die plek was verdronken. Daarna werden het de tranen van de achterblijvers die de emigrantenschepen naar Amerika zagen vertrekken. Maar misschien waren het ook gewoon de druppels dauw die soms zo mooi in dat tranendal liggen.

‘We zijn allemaal vreemden in ons eigen land’, schrijft Robinson. ‘Terwijl de taal zich verlegt zoals een rivier zijn bedding gedurende eeuwen, blijft soms een plaatsnaam achter, drooggevallen, ver van de vloed der betekenis. En wordt dan weer opgepakt door een andere meander van de rivier, die hem nieuwe betekenis, nieuw leven geeft.’

Roompot, de zuidelijk monding van de Oosterschelde, staat voor Romanorum portus, haven der Romeinen, is wel gezegd. Zo’n haven was er ooit bij Domburg. Maar misschien slaat ‘roompot’ ook wel op de witte schuimkoppen die er kunnen staan. Wat is trouwens een roompot?
Dordtenaar en Engelsman, twee zandbanken; ze heten vast naar een schip uit Dordrecht en een Engels schip die daar vergaan zijn. Neeltje Jans, de zandplaat waarnaar het grootste ‘werkeiland’ in de Oosterscheldekering is genoemd, zou ook de naam van een gestrand schip zijn. Maar over zo’n schip is niets bekend. En wie was zij dan?

Als de mist iets optrekt maken we los, maar het zicht houdt niet over: voorbij de volgende boei is niets te zien. Niet de stompe toren van Zierikzee, niet de ‘betonnen sprongen’ van de Zeelandbrug. Met de vloedstroom mee zeilen we langs de Groot Vuilbaard en door de Schaar van Colijnsplaat, waar in de diepte het verdonken eiland Oresant moet liggen. Naar onze nieuwe thuishaven.

~


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *