Alles gonst, tettert, piept door elkaar

De grienden bij Rhoon dijen steeds verder uit
Als je de bevers, reeën en uilen niet ziet, kun je toch hun sporen vinden, las ik over de grienden aan de Oude Maas tussen Rhoon en Barendrecht. Na een uur wandelen tussen knotwilgen en zwarte elzen, stammen donker van de regen, heeft zich nog geen dier aangediend. Ja, een nijlgans, maar waar zie je die niet?
Ik heb ook geen afgeknaagde boomstammen gezien, geen reeënhoefjes in de modder, geen braakbal. Bosuilen nestelen in holle wilgen. Niet één keer hoorde ik zijn wapperende neusfluit. Hoe-oe-oe. Al maakt het voor dit stukje natuurlijk niet uit; ook met ‘geen’ ervoor is het er allemaal.
Ooit was dit productiebos. Van wilgentenen kun je manden vlechten. Uit tenen en grotere takken: matten en zinkstukken om oevers en dijken te beschermen. Wilgentenen hielden Nederland bijeen.
Februari is nog steeds de maand om te knotten, net voor het nieuwe blad. Maar nu zijn het vrijwilligers die het doen, natuurbeschermers. Of moet je ‘cultuurbeschermers’ zeggen?
De wilgen staan buitendijks. De zee is hier minder ver dan je denkt. Twee keer per dag vult de vloed via kreken het bos. Rond de buitenste knotwilgen zijn stenen gestort. De wilgen waren hier eerst, maar het lijkt alsof ze uit die stortsteen zijn opgeschoten.
Molscholver
Tóch nog een dier. Een pterodactylus. Roerloos in een grasveldje. Stoot omlaag, trekt iets bruins tevoorschijn dat in twee, drie schrokken in zijn krop verdwijnt. Reiger, molscholver. Wat denkt een mol als hij uit zijn element wordt getrokken? Wat denkt hij trouwens in zijn element? Kunnen we ons überhaupt een voorstelling maken hoe het is om een dier te zijn?
In What Is It Like to Be a Bat (1974) deed Thomas Nagel een beroemde poging: overdag ondersteboven op zolder hangen, nagenoeg blind, maar met ultrasoon geluid in het duister insecten ‘zien’ en vangen. Dat was de vraag niet, schrijft Nagel. ‘Ik wil weten hoe het voor een vleermuis is om een vleermuis te zijn.’
En daarvoor schiet ons voorstellingsvermogen principieel tekort, zegt hij. Alleen als we ‘vleermuis’ konden spreken, zouden we het kunnen uitleggen. Maar alleen aan andere vleermuizen.
Diezelfde dag hoor ik Sophie Rasmussen, een bioloog aan de universiteit van Oxford, bij de BBC niettemin vertellen dat ze misschien een weg heeft gevonden naar het brein van de egel.
Mogelijk communiceren ze, behalve door knorren en snuiven, ook met ultrasoon geluid. Het mensenoor hoort geluid tussen 20 en 20.000 hertz. De egel kan tot 85.000 hertz horen, ontdekte ze, hoger zelfs dan pipistrellus, de Europese dwergvleermuis.
“Stel je eens voor dat egels de hele tijd aan het kletsen zijn zonder dat we het horen.
Als we die egeltaal leren verstaan, en leren terugpraten, kunnen we ze misschien behoeden voor autoverkeer en grasmaaiers, denkt Rasmussen. Hoe dan ook zet het ‘de audiowereld van de egel’ op een kier. ‘Stel je eens voor dat ze de hele tijd aan het kletsen zijn zonder dat we het horen.’
Uilen, vleermuizen, egels. De klopsignalen van rupsen en termieten. Het infrageluid dat gletschers en oceaanstromen produceren en duizenden kilometers ver draagt. Overal rommelt en gonst en sist en tettert en piept alles door mekaar. Het is er allemaal, al horen we er bijna niks van en verstaan we nog minder.
‘Maar stel je eens voor,’ zei ook Brian House, een Amerikaanse hoogleraar en geluidskunstenaar, vorige week in The Washington Post: ‘Je gevoel voor wat “nabij” betekent dijt enorm uit.’
Dit artikel is gepubliceerd in NRC [‘We horen niks en verstaan nog minder’, 16 maart 2026].
Tags: Carnisse grienden, egels, knotwilgen, Thomas Nagel, vleermuizen