Hoe te zeggen wat je niet kunt zeggen

Rogie Falls in de rivier Allt an Dubh (Black Water), Ross-shire, Schotland, 2016.

Robert Macfarlane over bezield landschap

Soms kun je in een boek de kiem van een volgend boek al zien, zij het meestal pas achteraf, als dat nieuwe boek er eenmaal is. In De oude wegen (The Old Ways, 2012), waarin Robert Macfarlane schrijft over zijn voettochten langs ‘vergeten’ Britse paden en wegen, werpt hij het idee op dat landschappen zich in ons nestelen. ‘Het komt me voor dat we elk markant landschap de volgende vragen moeten stellen. Ten eerste: wat weet ik als ik op deze plek ben wat ik nergens anders kan weten? En vervolgens, tevergeefs: wat weet deze plek van mij wat ik niet van mezelf kan weten?’

Dat ‘tevergeefs’ stond er toen niet voor niets. Maar in zijn nieuwste boek, in het Nederlands verschenen als Leeft een rivier?, zwiept hij die disclaimer aan de kant. Landschappen zijn niet alleen ‘bezield’ maar ook ‘bezielend’, ze praten tegen ons, leren ons met nieuwe ogen kijken. En ja, daarmee hebben ze ‘persoonlijkheid’ en ‘leven’.

Al moet je die niet zien als menselijke trekken, maar veeleer als het ‘dieper en wijder maken van de categorieën “persoon” en “leven”,’ om, citeert hij George Eliot, het ‘denkbeeldige bewegingsbereik voor het zelf te verruimen’.

Antropoceen

Het landschap in kwestie is de rivier, althans een aantal rivieren op drie continenten. In dit boek laat Macfarlane zien hoe levens van mensen en die rivieren met elkaar zijn vervlochten. Rivieren zijn er niet alleen voor ons, om naar believen te gebruiken, maar ze zijn wat hem betreft zelf wezens, met een eigen leven dat meer is dan een optelsom van alles wat in een rivier leeft, en dat als zodanig erkenning verdient. Zijn boodschap: als de mens het Antropoceen wil overleven, kunnen die levens maar beter vervlochten blijven.

Ook rivieren kunnen sterven, uitsterven. Met die gedachte trapt Macfarlane af op een heuvel bij Cambridge, dicht bij huis, waar al twaalfduizend jaar een bron aan de kalksteen ontspringt. Maar in 2022, de droogste zomer tot dan toe gemeten, is die bijna verdwenen en wordt door het waterbedrijf kunstmatig in leven gehouden. In Canada worden ‘paaiende zalmen levend in grindbedden gepocheerd,’ schrijft hij grimmig. En in de Elbe wordt een eeuwenoude Hungerstein zichtbaar, waarop te lezen staat: ‘Wenn du mich siest, dann weine’.

Rivieren kunnen ook worden doodgemarteld. Zie de ‘gewonde’ kreken, lagunes en riviermondingen van de Indiase metropool Chennai aan de Golf van Bengalen. De vis is verdwenen of te giftig om te eten. De radioactieve vliegas van kolencentrales vormt een soort gelei langs de oevers waarin kinderen spelen. Er is een vrouw wier grootste wens is om astma te krijgen in plaats van kanker.

En rivieren hebben ondanks alles wat hen bedreigt een enorme levenskracht, ontdekt hij in Los Cedros, het nevelwoud in de koele hoogte van de Andes in Ecuador, waar waterdamp condenseert tot een mist die er het jaar door hangt. Het woud leek ten prooi te vallen aan mijnbouw voor goud en koper, maar intussen is de status ervan in de grondwet vastgelegd, waaraan het (enige) bescherming kan ontlenen.

Zijn belangrijkste gidsen op die drie continenten, twee mannen en een vrouw, hebben alledrie kort geleden een dierbare verloren. Hun hervonden of ongebroken energie en veerkracht weerspiegelt als het ware die van de rivieren.

Leeft een rivier? eindigt met een transcendente ervaring, aan de rand van een rivier in Québec die donderend in een kloof verdwijnt, een ‘muil met een groenwitte tong […] en ik hoor dat er spraak uit die mond tuimelt’. Macfarlane stapt er net niet achteraan, maar begint manisch te schrijven in zijn benevelde notitieboek in het besef dat de zinnen ‘uit een bron stromen die groter is dan mijn hoofd’.

Robert Macfarlane: Leeft een rivier? (Is a River Alive?) Vert. Nico Groen. Uitgeverij Athenaeum, 416 blz. € 29,99

Verrivierd

Niettemin voelt hij daar dat hij zelf deel van de rivier is geworden, en omgekeerd. ‘I am rivered’ zijn zijn laatste woorden. In de vertaling van Nico Groen: ‘Ik word verrivierd.’

Wat dat precies betekent, blijft de vraag. Voor de lezer en misschien ook wel voor hemzelf. Het punt van ervaringen buiten de taal – pijn, genot, of deel worden van een snelstromende rivier – is nu net dat ze niet van woorden zijn gemaakt. Toen hij het manuscript na drieënhalf jaar had ingeleverd, verzuchtte hij tegen zijn 82.000 volgers op Instagram dat dit boek hem ‘voorbij de grenzen van mijn taal en verbeelding [heeft] gebracht’.

De vraag hoe (en of) daar iets zinnigs valt te zeggen, stelt hij in dit boek herhaaldelijk. Zo’n taal daadwerkelijk vinden zou iets zijn als de Baron von Münchhausen die zich aan de eigen haren uit het moeras trok.

Omdraaiing

Bij verschillende gelegenheden heeft Macfarlane de rivieren zijn ‘co-auteurs’ genoemd. Sterker nog, de rivieren ‘kozen mij als hun onderwerp’. Het is een omdraaiing van dezelfde soort als ‘wat weet een landschap over mij?’. Je ziet het wel vaker. ‘Personages slaan mij aan de haak’ (Lot Vekemans); ‘een foto die mij zoekt’ (K. Schippers); ‘muziek die mij begrijpt’ (L.H. Wiener) en, heel fraai, ‘mythes zijn verhalen die óns vertellen’ (Roel Bentz van den Berg).

Subject en object verwisselen maakt de zin pregnanter, de waarneming intenser. Maar als je zegt dat een landschap iets over jou weet, is dat dan alleen een sterkere manier van zeggen dat jij iets over dat landschap weet, of zijn er andere krachten in het spel?

Rivieren zijn wezens, met een eigen leven dat meer is dan een optelsom van alles wat erin leeft

Veel van Macfarlanes werk – zes kloeke boeken sinds Mountains of the Mind (2003) en een confetti aan kleiner werk – gaat over het beleven van ruimte en de vraag hoe de taal waarin we daarover praten of schrijven ons denken vormt. Een landschap schept niet alleen ruimte voor denken, maar wordt als het ware zelf denken, lijkt Macfarlane te zeggen.

In een interview met het Amerikaanse tijdschrift Orion zei hij het in juli zelfs letterlijk: ‘[…] we think with place, with land, with river’, waarbij je ‘with’ misschien als ‘in de vorm van’ kunt vertalen.

Er zijn zelfs fysieke aanwijzingen voor: de hippocampus, een gebiedje in de hersenen, speelt niet alleen een rol bij het rangschikken van autobiografische herinneringen, maar is ook cruciaal voor ruimtelijke oriëntatie en navigatie. In de hippocampus vallen ‘wie’ en ‘waar’ samen.

Sjamanisme

Maar ‘weet’ een landschap daarmee iets over je? Dat lijkt Macfarlane te suggereren als hij schrijft over de bron die hem voedt, groter dan zijn hoofd. Hij is niet de enige in een tijd waarin veel mensen naar spirituele bakens zoeken. Sjamanisme en animisme, waarbij aan alles in de natuur – mensen, dieren, planten, stenen, rivieren – gelijke waarde wordt toegekend, zijn niet voor niets aan een opmars bezig, of moet je comeback zeggen?

Arita Baaijens, schrijfster, reiziger en bioloog, zei in een vraaggesprek met NRC over haar verblijf in Siberië: ‘Mij ontbrak de taal voor wat daar normaal is maar bij ons niet past: dingen die je niet kunt zien, maar wel merkbaar zijn, een bezield landschap. Zij noemen het natuurgeesten, maar het komt erop neer dat natuur leeft, expressief is.’

Taal is geëvolueerd ‘door te luisteren naar het bezielde landschap’, zegt Hanna Tuulikki, een Brits-Finse kunstenares die contact maakt met zeehonden door geluiden te maken die het midden houden tussen zingen en huilen. Met haar maakte Baaijens een film over wat tegenwoordig ‘the more than human world’ heet. ‘Om een zeehond in de ogen te kijken – to lock eyes – heb je geen woorden nodig.’

Grammatica

Maar dus wel om erover te vertellen. ‘Ik vraag me af hoe ik in hemelsnaam over de anima van dit gebied [het nevelwoud] moet schrijven; welke taal beantwoordt aan zijn krioelende, relationele wezen, uitdrukking kan geven aan dit smaragdgroene, epifytische pluriversum, waarin de verschillende gedaanten van levensvormen en manieren van leven niet van elkaar zijn te onderscheiden,’ vraagt Macfarlane zich af.

Alleen in een vooralsnog imaginaire taal waarvan de grammatica als het ware dat groene ‘pluriversum’ zou moeten weerspiegelen: een ‘vorm van nevenschikking, geen onderschikking: een van maximale correlatie, van zich straalsgewijs uitstrekkende verbindingen, een gevorkt, gebladerd, fractaal, supervertakkend taalbouwsel’.

In Macfarlanes taal tasten binnen- en buitenwereld elkaar af

Bij gebrek aan beter moeten we het echter doen met de taal die er is. Bij Robert Macfarlane is dat een taal waarin binnen- en buitenwerelden elkaar aftasten, in elkaar overlopen. Iemand als Annie Dillard ging hem daarin trouwens al decennia geleden voor. In een beroemde scène uit Pilgrim at Tinker Creek, waarmee ze in 1975 een Pulitzer won, probeert ze doodstil te blijven staan zodat een muskusrat haar niet ziet en zou vluchten.

‘In plaats van te verstijven word ik kalm,’ schrijft ze. ‘Ik trek me terug – niet in mezelf, maar buiten mezelf, zodat ik een weefsel van zintuigen word. Alles wat ik zie is weelde, overvloed. Ik ben het vlies op het water waar de wind overheen speelt; ik ben bloemblaadje, veer, steen.’

Weltinnenraum

En Rilke ging haar met zijn Weltinnenraum in 1914 nog weer voor: ‘Die Vögel fliegen still/ durch uns hindurch. O, der ich wachsen will,/ ich seh hinaus, und in mir wächst der Baum.

Het is ook wat Macfarlane in de Andes pas ziet als hij zijn hoofdlampje uitzet en zijn nachtzicht terugkeert: het zilverig gloeien van schimmels op alle takken en stammen om hem heen. Het hout sterft, de schimmels ontlenen juist hun leven eraan en zetten het woud in een zacht flakkerend licht, licht dat rimpelt alsof er een rivier doorheen stroomt. En dat de lezer nu toch ook even kan zien.

Die taal is al heel oud en heet, ook als het niet rijmt, poëzie.

Dit artikel is gepubliceerd in de bijlage Boeken van NRC [‘Welke taal gebruik je voor wat je niet kunt zien? Natuurschrijver Robert Macfarlane schreef over de bezielde rivier’, 22 augustus 2025]Tags: Genius loci, Landschap, nevelwoud, rivieren


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *