Engelsismen

brits.voor.beginners

Wie met kinderen een paar jaar naar Londen verhuist, krijgt steevast te horen: ‘O, wat fijn dat ze dan zo goed Engels leren.’ Dat is waar, maar zelden vraagt iemand zich af wat er met hun Nederlands gebeurt zodra ze niet meer dagelijks met leeftijdgenoten oefenen. Wij ook niet, totdat het begon op te vallen.
‘Ik moest in de lijn staan op de playground,’ zei Doortje (toen vier jaar oud) na haar eerste schooldag.
‘Waar?’
‘Nou, op de playground dus.’
Toen snapten we het: ze maakte voor het eerst kennis met een schoolplein in Engelse
gedaante en kende het Nederlandse woord niet eens. In de rij staan – ‘Now, children, stand in line, please!’ – was ook nieuw. Toen zijn we op de ijskast maar een lijst met ‘engelsismen’ gaan bijhouden.
Hoe gemakkelijk het Engels het Nederlands binnen sijpelt, blijkt vooral bij woorden die weinig van elkaar verschillen. Bovendien, zo realiseer je je, is het verschil eigenlijk volkomen willekeurig. Vandaar dat Doortje het bijvoorbeeld had over haar ‘elboog’ (elbow) in plaats van haar elleboog en over ‘zandpapier’ in plaats van schuurpapier (sand paper), haar veter die was ‘losgekomen’ (came loose).
Ze vertelde over een huis dat ‘in vuur’ (on fire) stond en ze wilde geen vrienden met iemand worden, maar ‘vrienden maken’ (make friends with), wat gezien de inspanning die je er soms voor moet doen, trouwens logischer klinkt. Ze was ‘de laatste om de klas uit te gaan’ (the last to leave) en als ze treuzelt, komt ze wel eens ‘vijf minuten laat’ (late, want too late is net iets anders).
Een boterham sneed ze ‘in half’, in plaats van doormidden, en een sinaasappelschil wilde ze er niet zelf af ‘pielen’ (to peel). Pruimen werden ‘pluimen’ (plums), die ze vervolgens ‘één bij één’ legde. Ook wilde ze weten ‘hoeveel minuten er waren langsgekomen’ (have passed), wat goed beschouwd zeker zo mooi klinkt als dezelfde vraag in het Nederlands.
Engelse voorzetsels zijn om de een of andere reden heel verleidelijk voor wie Nederlands als moedertaal heeft. ‘Zoeken naar’ werd ‘zoeken voor’ (look for), ‘sturen naar’ werd ‘sturen tot’ (send to) en iemand bleek ‘op’, niet in Doortjes groep te zitten (on my team).
Zelfs haar oudere broer Willem, die meer Nederlands heeft gesproken maar nu werd
ondergedompeld in het jargon van middelbare scholieren, was zeker niet immuun. Zo raakte hij ‘uitgepeigerd’ (crashed out). Als hij wil zeggen dat je niet moet denken dat hij gek is, zegt hij: ‘Het is niet alsof ik gek ben of zo’ (It’s not as if I’m crazy, or something). En over een medescholier oordeelde hij dat-ie niet ‘durfde op te staan voor zichzelf’ (stand up for himself).
Even besmettelijk lijkt de woordvolgorde van het Engels. ‘Daar ben ik niet gewend aan’, klinkt ze bijvoorbeeld niet gek in de oren, en zelfs bij de ouders begint het te slijten. Vooral bij meerdere werkwoordsvormen in één bijzin legt het Nederlands het nogal eens af tegen het Engels. ‘Hij zei dat hij er niks meer mee wilde te maken hebben’, in plaats van ‘te maken wilde hebben’. Moet je dit corrigeren? Waarschijnlijk wel, maar het is vechten tegen de bierkaai.
Ook te leuk om te verbeteren: ‘mijn trui is geshronken’, ‘laatst jaar’, ‘in de zomer
gaan we kampen’, ‘in de winter maken we een sneeuwman en dan komt Vader Kerstmis’. ‘Mag ik nog een getoosterde boterham?’ ‘Is dat een fact?’ O ja, en dat zelfgeschreven sprookje met onderaan: ‘het einde’ (the end).

Bestel