Bedreigd Arcadië

signpost

De Britten hebben hun eiland meedogenloos geëxploiteerd, maar tegelijkertijd verheerlijken ze het landschap als een hof van Eden. De brandstapels met mond- en klauwzeervee verstoorden de idylle wreed.

Elke woensdag rond lunchtijd begint het druk te worden bij Farlow’s, een winkel aan Pall Mall in Londen. De klanten zijn merendeels mannen met dure schoenen, die in de omgeving werken, bijvoorbeeld bij het veilinghuis Christie’s of op het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ze lijken niet veel te kopen. Ze komen vooral bij Farlow’s om te dromen. Ze balanceren een hengel op de hand, bladeren in boeken met titels als Improve Your Fly Fishing en voelen aan de waadpakken die er in rekken hangen. In gedachten staan ze dan tot hun middel in een rivier, schrijven met hun lijn een sierlijke S in de lucht, vleien hun kunstvlieg op het langsschuivende water, concentreren zich en slaan een forel aan de haak.

De gentlemen-vissers bij Farlow’s zijn niet de enigen op wie de wereld buiten Londen een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefent. Veel stedelingen – en dat zijn vier op de vijf Britten – trekken in het weekend naar de countryside. Naar stacaravan, zomerhuisje of iets groters, naar de manege, schapenhoederswedstrijden, om fazanten te schieten of kleiduiven, naar een kasteeltuin vol bloemen, of naar het virtuele stukje platteland van de volkstuin.

Vooral ook naar de duizenden kilometers openbaar voetpad die de velden en akkers sinds de middeleeuwen doorkruisen. Geen land dat zoveel wandelt in de natuur, die er in ruimere mate voorhanden lijkt dan bij de naaste buren. Koop een kaart van de Ordnance Survey, laat de gordel van supermarkten, businessparken, snelwegen en steriele golfbanen achter je, en je bent in een andere wereld. Zo voelt het althans.

‘Het is weinig verrassend dat we soms rusteloos worden,’ schreef Ian McEwan in 1998. ‘Voor stadsbewoners is het platteland een magazijn van verlangen en illusie; een plek van voeding, onschuld en oude wijsheid; het is de hof waaruit we zijn verbannen; completer en “echter” dan straten en gebouwen. Waar de seizoenen nog de scepter zwaaien, een theater van mythische kindertijden, en waar we onszelf kunnen terugvinden. We stammen bijna allemaal af van mensen die een paar generaties terug nog op het land werkten. Het platteland is onze laatste verbinding met hen, en met een verleden dat er van hier uitziet als beter geordend en met diepere zekerheden.’

‘De idylle van het platteland is klassiek, en diep geworteld in de menselijke ziel,’ zegt ook Roger Scruton, een filosoof die veel schrijft over het Engelse volkskarakter en de verhouding tussen stad en land. ‘Zo verfrissen we ons genetische verleden als jager-verzamelaar.’

Oerbos

Toch is het Engeland van de collectieve verbeelding juist geen wildernis met jagers-verzamelaars, geen Germaans oerbos met boze beesten, maar groen en glooiend, eerder een tuin. In de achttiende en vroege negentiende eeuw kreeg de pastorale idylle zijn vorm, als reactie op de industriële revolutie en de trek naar de stad. Dat gebeurde juist op het moment dat het landschap een radicale gedaanteverwisseling onderging.

I long for scenes where man has never trod,’ dichtte John Clare (1793-1869), hoewel dat toen al een illusie was. Of juist daarom. Op de Britse eilanden zijn nog steeds uitgestrekte gebieden met weinig bewoners; ze maken deel uit van een nationaal park, zijn eigendom van de grote verenigingen voor natuur- en cultuurmonumenten – de National Trust, English Heritage en hun Schotse equivalenten – of ze zijn privébezit, van oude en nieuwe adel, en worden in stand gehouden voor de jacht.

Maar dat neemt niet weg dat zelfs het landschap dat nu het meest ongerept lijkt, de Schotse hooglanden, Dartmoor of de valleien van Zuid-Wales bijvoorbeeld, mensenwerk is. Het is het resultaat van eeuwen ontbossing, mijnbouw, intensieve begrazing door schapen en de massale deportatie van Schotse plattelandsbewoners, de Highland Clearances, vanaf de achttiende eeuw.

De ongerepte wildernis, waar ook William Wordsworth (1770-1850) naar zocht – zwervend, ‘lonely as a cloud’ – werd toen al definitief getemd. Moerassen waren drooggemalen. De laatste open (en openbare) stukken heide, bouw- en grasland, de commons, werden verkaveld en opgesplitst door het planten van heggen en het bouwen van ongemetselde muren. Kolenmijnen en ijzersmelterijen zouden grote stukken van de Midlands en Wales met roet en smog overdekken. Spoorlijnen en nieuwe wegen trokken strakke lijnen door het landschap. Wie zijn fortuin had gemaakt in staal of kamgaren of steenkool, kon niettemin op een paar uur postkoetsen van de grote stad een stukje Toscane aanleggen. De edellieden die er al woonden verbouwden hun burchten tot Palladio-villa’s en cultiveerden hun eigen hectares van heggen en muren, het parklandschap dat we nu zo karakteristiek Engels vinden, voor de vossenjacht.

Tuinierprogramma’s

De Britten hebben hun eiland meedogenloos geëxploiteerd, maar tegelijkertijd verheerlijken ze het landschap als een hof van Eden. Dat is niet zo gek: op een overbevolkt eiland is een tuin – een stukje getemde of herschapen wildernis – misschien wel de enige vorm waarin de natuur kan overleven, in het echt en in de verbeelding. Is het toeval dat het Eden Project in Cornwall, kunstregenwoud en andere vegetatie onder reusachtige koepels, een van de populairste attracties van het land is? Is het toeval dat de bonden voor natuur- en cultuurbeheer, The National Trust en English Heritage, zo veel leden hebben? Met Kew Gardens, de bloementuin van Sissinghurst en de Chelsea Flower Show?

Is het toeval dat er zo veel tuinierprogramma’s zijn, waar mannelijk en vrouwelijke tuiniers met celebrity-status stadstuinen een total make-over geven, of existentiële vragen beantwoorden als: ‘Moet ik mijn euphorbia terugsnoeien nadat zij gebloeid heeft?’ Geen land ook met zoveel tuincentra voor een ontspannen dagje winkelen tussen goudvissen en barbecuemeubels. Het is een sector waarin jaarlijks elf miljard pond omgaat. Het kan geen toeval zijn dat de Japanners, die ook met velen op een klein eiland wonen, net zo gek zijn van tuinen.

Die mythe van het groene, lieflijke Engeland werd bijna onmiddellijk politiek ingelijfd. Op het hoogtepunt van de oorlog met het Frankrijk van Napoleon dichtte William Blake (1757-1827) dat hij zijn zwaard niet zou laten rusten voor hij in ‘England’s green and pleasant land’ een ‘nieuw Jeruzalem’ zou hebben gebouwd. Een eeuw later, in 1915, toen er van twee kanten gifgas over de loopgraven stroomde, werd Jerusalem op muziek gezet en het geldt sindsdien als het officieuze volkslied van de Engelse stam.

Het beeld van het eeuwig-groene thuisland hielp de natie om twee wereldoorlogen te doorstaan. Terwijl iedere Brit die niet te jong was of een uniform aanhad in een fabriek werkte, en terwijl de industriële landbouw met name het lage, vlakke oosten van het land transformeerde, liet het ministerie van Propaganda voor binnenlands gebruik posters ontwerpen met lieflijke dorpsgezichten van kerktorentjes boven de bomen en vriendelijk cricketvelden – ‘Your Britain, fight for it now!’. Daarom zong Vera Lynn: ‘There will always be an England/ While there’s a country lane./ Wherever there’s a cottage small/ Beside a field of grain’.

En daarom ook zijn Britse oorlogskerkhoven in Frankrijk en Vlaanderen aangelegd als een klein stukje van de Cotswolds of Shropshire, waar het Engelse landschap op zijn Engelst is. […]

Bestel