Vloeibaar Nederland

Nationaal Park de Biesbosch, 2009. Foto Siebe Swart

Als de lelijke buitenkant en de boze binnenkant van Nederland me weer eens aanvliegen, zoek ik vaak troost bij de foto’s van Siebe Swart.

Dit schreef ik bij de laatste aflevering van de NRC-fotowedstrijd die in twaalf thema’s – van ‘Nederland woont’ tot ‘Nederland poseert’ en ‘Nederland en het weer’ – een portret van ons land en zijn bewoners in 2019 moet opleveren aan de hand van door lezers ingestuurde foto’s. Die foto’s zag ik meestal niet van tevoren, daarom improviseerde ik zelf maar zo’n beetje op het thema van die maand.

Twaalf ‘essayettes’, en de laatste ging over ’mijn Nederland’ (20 december 2019). Voor mij is dat, cliché of niet, het land dat zich voortdurend boven water probeert te houden. God schiep Nederland, en zoals bekend schiepen de Nederlanders hun eigen land. Dat is wat Siebe Swart al zijn halve leven fotografeert, watertrappend Nederland vanuit de lucht, waartoe hij een helikoptertje-met-piloot op afroep beschikbaar heeft staan.

Omdat Rijkswaterstaat een van zijn belangrijke opdrachtgevers is, zijn die grote waterwerken – dijken, dammen, stuwen, polders, nieuw aangelegde uiterwaarden, en de grote beweegbare stormvloedkeringen in de Oosterschelde en de Nieuwe Waterweg – rijk vertegenwoordigd in zijn archief van luchtfoto’s.

Die kunstwerken – heerlijk ambigu waterstaatswoord – vormen de harde verdediging tegen het water uit zee en water ‘via de achterdeur’ uit de grote rivieren: het staal en beton, de klei en het basalt waarachter al die Nederlandse districentra en startbanen en windmolens veilig zijn en die met hun geometrie en klare lijnen zonder dat er een mens in beeld is ‘mijn Nederland’ een mysterieuze schoonheid geven.

Andere foto’s van Swart, meestal ook van zo’n grote hoogte genomen dat je geen mensen ziet, tonen een glimp van Nederland voordat er dijken waren, laat staan Deltawerken. Dat is het Nederland waarover Plinius de Oudere hoorde spreken, het gebied in het noorden waar een ‘miserabel volk’ op ‘zelfgebouwde heuvels’ moest wonen, omdat de zee er twee keer per dag het land overspoelde zodat je niet wist of dit nu land of water was. Dat is het ‘zachte’ Nederland van de wandelende zandplaten en zeegaten, kwelders, gorzen, groezen en schorren, waarvan Swart de fantastische kleuren en patronen heeft vastgelegd, de eerste sporen van inpoldering, land dat net boven water komt na de vloed en zich uitschudt in de zon, of dat net weer onder water glijdt. Mijn vloeibare Nederland.

When will the Netherlands disappear? was de omineuze kop bij een stuk dat Politico.eu op 16 december 2019 publiceerde. Geruststellend antwoord: zelfs bij een kleine meter zeespiegelstijging niet deze eeuw. Maar wat als het in het jaar 2300 vijf meter wordt? Nu kun je zeggen: scenario’s zijn precies dat. En wie kon dertig jaar geleden voorspellen dat we nu op een mobiel telefoontje zitten te kijken? Of je kunt stoïcijns zeggen dat er de laatste 250 miljoen jaar zelden een moment is geweest dat ‘Nederland’ niet helemaal of half onder water lag. Maar 200 jaar is overzichtelijk. Eén optie: geef de Randstad prijs aan de zee. „In dat geval moeten we tien miljoen mensen ergens heen zien te leiden”, zegt hoogleraar Maarten Kleinhans in bijbelse termen in dat stuk.

Als je eerlijk bent en een beetje kijkt naar de werkelijk lange termijn, zit er in Swarts beelden dus weinig troost. Terwijl wij ons achter de dijk koesteren in onze maakbaarheidsmythen, wordt ook nu, zoals Marsman dichtte, „in alle gewesten de stem van het water/ met zijn eeuwige rampen/ gevreesd en gehoord.”


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *